Het is al geen goud wat er blinkt
20 december 2011
En wéér luiden we een economisch jaar uit met samengeknepen billen dankzij ‘onze’ banken. Je zou er toch een sik van krijgen. Weer is gebleken dat bankiers hun corebusiness niet beheersen: het inschatten van risico’s. Eerst lieten ze zich als amateurs in met een piramidespel van Amerikaanse hypotheken, nu staan ze met de broek op de enkels omdat ze erachter zijn gekomen dat Griekenland en Italië niet erg calvinistisch boekhouden. Dat wisten alleen bankiers en politici niet.
Her en der heeft deze beschamende gang van zaken reacties opgeroepen, van de onderbuik op straat tot de bovenkamer van geleerden, maar de financiële sector zelf geeft gęnant weinig sjoege. De Basel III-standaard, een eerste poging om bankieren veiliger te maken, kwam pas na bittere gevechten met toezichthouders tot stand. Alles lijkt erop gericht om toch vooral zo veel mogelijk op de oude voet verder te kunnen gaan. Je hoeft geen lid van de linkse kerk te zijn om je dood te ergeren aan dit narcisme en gebrek aan zelfreinigend vermogen. Op een paar lauw ontvangen tentjes na blijft maatschappelijke actie om de knopentellers tot de orde te roepen echter uit.
Het bedrijfsleven zou zich dat moeten aantrekken. Een goed functionerende financiële sector is de basis voor een gezonde economie en dus in de eerste plaats een belang van iedereen. De bancaire sector heeft als primaire economische functie om, voor een marge, vraag en aanbod van kapitaal efficiënt met elkaar in overeenstemming te brengen. Als die sector 41 procent van alle bedrijfswinst opstrijkt (dit cijfer is voor de VS), dan klopt er iets niet. Banken houden zich blijkbaar voornamelijk bezig met zaken die geen duurzame toegevoegde waarde hebben. Economisch – en maatschappelijk, gelet op waar de rekening uiteindelijk terechtkomt - is dat hoogst ongewenst.
Deze bizarre verhouding, waarin de financiële dienstverlening op een dieet van deregulering en financiële ‘innovatie’ groter is gegroeid dan de individuele sectoren die zij bedient, heeft bovendien schadelijke sporen getrokken in de samenleving. De fata morgana dat we het in de toekomst moeten hebben van diensten, heeft zich gedeeltelijk gevormd op de vleugels van hoge winsten van banken. Tegen die mythe moeten juist sectoren als de hoogwaardige industrie nu opboksen.
Het best zichtbaar is dat op de arbeidsmarkt. FD-columnist Mathijs Bouman, een sympathieke econoom die de hand in eigen boezem steekt, schreef hierover: ‘De slimste jongens en meisjes gingen bij een zakenbank of investeringsfonds werken, om daar nieuwe handelsalgoritmes, risicomodellen en andere spielerei voor hoogbegaafden te ontwikkelen. In plaats van nieuwe natuurkrachten ontdekken en bruggen ontwerpen, lieten we een generatie briljante natuurkundigen en pientere ingenieurs financiële onzin uitdenken, die ons geen enkele welvaart oplevert.’
Deze observatie is juist relevant nu de topsectoren – zou die term in het leven zijn geroepen toen de banken nog het lievelingetje van de klas waren? - prioriteit geven aan thema’s als opleiding en arbeidsmarkt. Achteraf gezien, kunnen we stellen dat de beloning in de techniek niet zozeer te laag is als wel die in de financiële sector (kunstmatig) te hoog. Noem me een pessimist, maar ik denk niet dat de talentenstroom zich verlegt zolang die situatie aanhoudt, alle goedbedoelde initiatieven ten spijt. Wil de industrie de slag om de begaafde werknemer winnen, dan moeten de financiële jongens terug in hun hok.
Paul van Gerven
Terug naar overzicht