
Achtergrond
Ieder embedded systeem zijn eigen Silverlight-smoel
Silverlight for Embedded maakt het mogelijk om applicaties onder Windows Embedded Compact 7 een modern uiterlijk te geven, waardoor het OS...

Silverlight for Embedded maakt het mogelijk om applicaties onder Windows Embedded Compact 7 een modern uiterlijk te geven, waardoor het OS...
De eerste klap is een daalder waard, weet ook Hans Clevers. In zijn eerste interview sinds bekend was gemaakt dat hij DWDD-president Robbert Dijkgraaf opvolgt bij de KNAW zei de wereldberoemde...

Met de Open GPS Tracker-app kunnen bezitters van een Android-telefoon hun route opnemen en op een kaart weergeven. Ondertussen hebben meer...
2 december 2011
In de ruimtevaartsector is het samenwerking wat de klok slaat: tussen bedrijven onderling, met kennisinstellingen en de overheid, nationaal en over landsgrenzen heen. Bart Reijnen van Dutch Space geeft een kijkje in de keuken.
Eind januari staat de Vega-raket van de Europese ruimtevaartorganisatie Esa op de planning om voor het eerst op te stijgen vanuit Frans-Guyana. Doel van de missie is om kleine en middelgrote satellieten los te laten voor aardobservatie en wetenschappelijke doeleinden. Bij Dutch Space kijken ze met spanning uit naar de lancering van de Vega, en dan met name naar het moment dat de viertrapsraket zijn eerste trap afwerpt. Het conische element dat dit onderste deel met de rest verbindt en het mechanisme dat ze in de ruimte van elkaar scheidt, komen namelijk uit de keuken van het Leidse bedrijf.
De tussentrap is ruim twee meter hoog, drie meter in doorsnede, gemaakt van 7,5 millimeter dik aluminium en bedekt met wit gecoate platen kurk. De structuur bestaat zelf weer uit twee afgeknotte kegels op elkaar, een grote basis en een kleinere top, die aan elkaar vastzitten met een aluminium strook van 3,5 mm dik. Aan de binnenkant van deze richel loopt een ring met slechts zeven gram van een hoogst explosief goedje, het zogeheten pyro cord.
Ontsteking van het koord zorgt voor een ontploffing die de aluminium strook kapotblaast en de twee delen van de tussentrap van elkaar scheidt, en daarmee de eerste trap van de bovenste drie. Vervolgens gaan de opwaarts gerichte stuwraketjes van de afgestoten basis aan om de afstand tot de verder stijgende rest te vergroten. Bij voldoende onderlinge ruimte wordt de motor van de overgebleven drie trappen ingeschakeld, waarna de raket zijn reis voortzet in gereduceerde vorm.
De ontwikkeling van de tussentrap is een intensieve samenwerking tussen Dutch Space en verschillende partners. De structuur zelf is bedacht en met uitsluitend Nederlandse toeleveranciers gebouwd in Leiden en met succes onderworpen aan uitvoerige stresstests bij TNO. Ook de kabelbomen die aan de binnenkant lopen, worden gemaakt door Dutch Space. De pyroring en de stuwraketjes komen van elders en worden in de Sleutelstad geďntegreerd.
Samenwerking is het sleutelwoord bij Dutch Space, aldus CEO Bart Reijnen, tevens voorzitter van de Nederlandse branchevereniging Spacened. ‘In onze projecten werken we typisch met heel veel partners samen: met kennisinstituten, zoals het KNMI, NLR, SRon en TNO, en met andere bedrijven, zoals Airborne Composites, Fokker en Tecnovia. Wij trekken de kar en verzorgen onder meer de projectsturing en de systeemengineering; zij dragen belangrijke kennis bij en leveren deelproducten. Van onze omzet, dit jaar naar verwachting ruim zeventig miljoen, stroomt zo’n zestig procent door naar derden.’
Dutch Space heeft zijn wortels in Fokker. Halverwege de jaren zestig startte het vliegtuigconcern met ruimtevaartactiviteiten, ondergebracht in een aparte afdeling: Fokker Ruimtevaart. De eerste grote projecten waaraan het nieuwe onderdeel deelnam, waren de Astronomische Nederlandse Satelliet (Ans, gelanceerd in 1974) en de Infrarood Astronomische Satelliet (Iras, 1983). Dit leidde tot nieuwe ontwikkelingen, zoals systemen voor standregeling en warmtehuishouding. In de jaren zeventig dook de ruimtevaartafdeling bovendien in zonnepanelen.
In 1987 werd Fokker Space, zoals het onderdeel vanaf 1982 heette, een bv en in 1995 kwam het zelfs op eigen benen te staan. Daardoor bleef het overeind toen de voormalige moeder eind dat jaar failliet ging. Om zijn zelfstandige positie te benadrukken, veranderde het bedrijf in 2002 zijn naam in Dutch Space. Sinds vijf jaar is het onderdeel van Astrium, de ruimtevaarttak van het Europese consortium European Aeronautic Defence and Space Company (EADS).
Met de overname door EADS kwam ook Bart Reijnen aan boord. ‘Ik was destijds chief of staff op het EADS-hoofdkantoor in München, zeg maar de rechterhand van de CEO’, vertelt hij. ‘Astrium wilde verder uitbreiden in Europa en had zijn oog laten vallen op Dutch Space. Dat stond te koop en was niet alleen aantrekkelijk vanwege de aanwezige kennis maar ook vanwege de toegang tot Nederlandse financiering. Eind 2005 werd de overname bekendgemaakt en om de aanwinst te leiden, wilden ze een Nederlander hebben die ook bekend was met de Astrium-organisatie. Al snel kwamen ze bij mij uit. In januari 2006 ben ik begonnen als CEO van Dutch Space.’
Opvallend genoeg was het pas Reijnens eerste baan in Nederland. ‘Ik heb lucht- en ruimtevaarttechniek gestudeerd aan de TU Delft, omdat ik van jongs af aan al gefascineerd ben door vliegtuigen en dat wilde combineren met mijn voorliefde voor exacte vakken. Voor mijn afstuderen wenste ik mijn blik te verbreden en ben ik stage gaan lopen in Duitsland. Na het behalen van mijn bul in 1995 ben ik daar nog drie jaar blijven hangen. Vervolgens heb ik drie jaar gewerkt bij Airbus in Toulouse, onder meer aan het A380-project. Rond de eeuwwisseling ben ik overgestapt naar EADS, dat toen net werd gevormd. Zo ben ik weer in Duitsland beland en d
Zijn terugkeer naar Nederland was voor Reijnen een hele overgang. ‘Ik ging van een internationaal concern met honderdtwintigduizend medewerkers naar een mkb’er van destijds 270 man. En van een Duits-Franse cultuur naar een Nederlandse. Ik heb echt mijn draai moeten vinden. Hoewel ik in vijf jaar alweer een stuk ben vernederlandst, zie ik mezelf meer als een echte Europeaan, die over de culturen heen kijkt.’
EADS bestaat uit vier divisies: naast Astrium (ruimtevaart) zijn dat Airbus (luchtvaart), Cassidian (defensie) en Eurocopter (helikopters). De ruimtevaartpoot ontwikkelt satellieten, raketten om ze te lanceren en oplossingen die de ontvangen data uit het heelal verwerken. Dutch Space valt formeel onder de satellietactiviteit in een tak die bijbehorende uitrusting bouwt. Het maakt, integreert en test echter ook raketonderdelen. In zijn Leidse onderkomen beschikt het over negenhonderd vierkante meter cleanroom, met een hoogste punt van dertien meter en een gecontroleerde omgeving die voldoet aan de strenge eisen voor integratie van ruimtevaartprojecten. Na een terugval staat de teller inmiddels weer op 230 medewerkers, van wie twee derde engineers.
Dutch Space heeft vier productlijnen: zonnepanelen, structuren, instrumenten en systemen voor simulatie en verificatie. ‘Qua bekendheid in de markt en omvang van de activiteit is die eerste lijn het belangrijkste’, vertelt Reijnen. Van one size fits all is daarbij geen sprake, verzekert hij. ‘Een navigatiesatelliet zit bijvoorbeeld in een andere baan om de aarde dan een telecomsatelliet en vereist daarom een ander zonnepaneelconcept. Voor alle verschillende soorten kunnen wij panelen maken.’
Onlangs hebben de Leidenaars de laatste hand gelegd aan de zonnepanelen voor de eerste lading Galileo-satellieten. Dit Europese plaatsbepalingssysteem zal uiteindelijk zo’n dertig kunstmanen tellen in drie middelhoge cirkelvormige banen om de aarde. De zonnecollectoren die Dutch Space hiervoor levert, bestaan uit twee scharnierende panelen die aan één kant volledig zijn bedekt met GaAs-cellen en die samen middels een eveneens scharnierende arm zijn gekoppeld aan de satelliet. Bij de lancering hangen ze opgevouwen naast de body, op zes punten vastgeknoopt via aramide koorden. In de ruimte branden thermische messen de touwtjes door, waarna de verende scharnieren de panelen uit zichzelf doen uitklappen. Dit mechanisme heeft het voordeel dat het licht is en niet foutgevoelig door het geringe aantal bewegende delen. Bovendien is het meerdere malen te testen doordat de messen vaker zijn te gebruiken. Een systeem op basis van explosieven werkt maar één keer.
Bij dit Galileo-project hebben de mensen van Reijnen weer nauw samengewerkt met een groot aantal partijen. Het uitklapmechanisme hebben de Leidenaars zelf gemaakt, met onderdelen van Neways Micro Electronics uit Sittard (het voormalige Hymec). De aramide koorden zijn een speciale ontwikkeling van Tencate in Nijverdal. Het Almeerse Brandt Fijmechanische Industrie en het Hengelose Tecnovia produceren onderdelen voor de andere mechanismes. Airborne Composites uit Ypenburg levert de naakte panelen, waarna Dutch Space de GaAs-zonnecellen erop laat plakken door een buitenlandse partij. De kabelbomen die de elektriciteit uit de cellen naar de satelliet leiden, komen van moederbedrijf Astrium. In de Leidse cleanroom wordt alles ten slotte geďntegreerd en uitgebreid getest.
Ook bij de andere drie productlijnen treedt Dutch Space op als spin in een web van partners. ‘Behalve voor de tussentrap van de Vega-raket trekt onze structuurafdeling bijvoorbeeld ook de kar voor de motorophanging van de grote Ariane 5. Fokker in Hoogeveen schroeft die in elkaar, maar wij zijn eindverantwoordelijk’, licht Reijnen toe. ‘Zo vervult onze instrumententak onder meer de regiefunctie bij de ontwikkeling van een meetinstrument voor de troposfeer. Bij dit Tropomi-project brengt met name TNO zijn technologiekennis in en zijn het KNMI en SRon betrokken als wetenschappelijke eindgebruikers.’
Ruimtevaartprojecten kenmerken zich door de extreme eisen waar ze mee te maken hebben. Reijnen omschrijft het als hightech met high risk. ‘De ontwikkeling is complex, multidisciplinair en technisch uitdagend. Satellieten moeten licht zijn en bestand tegen de uitersten in de ruimte – in korte tijd gaan ze bijvoorbeeld van honderdvijftig graden in de zon naar honderdvijftig graden onder nul. Het moet ook de eerste keer goed zijn, want eenmaal gelanceerd, kunnen we er niets meer aan doen. Daarnaast zijn het lange trajecten. Tussen het besluit voor een nieuwe missie en het moment dat die echt gaat vliegen, zit al snel vijftien jaar. Dat komt onder meer door de certificatie- en kwalificatieprocedures die jaren kunnen duren en door het grote aantal samenwerkende partijen.’
Die samenwerking is typisch grensoverschrijdend: de projecten van Dutch Space vormen zelf weer radertjes in veel grotere, Europese machines. ‘Ruimtevaart is per definitie een internationale aangelegenheid’, schetst Reijnen. ‘Vroeger bouwden we in Nederland nog onze eigen satellieten, zoals de Ans en de Iras. Die nationale ambitie is niet meer. We maken nu vooral onderdelen, maar wel cruciale, voor grote Europese projecten, onder leiding van Esa, Astrium of een andere grote buitenlandse partij. De Nederlandse ruimtevaartindustrie is een exportmarkt geworden. Weinig bedrijven richten zich daarbij puur op ruimtevaart. Voor de meeste van onze nationale partners is het een van de vele sectoren waarin ze actief zijn.’
Een belangrijke rol in het hele spel is weggelegd voor overheden. ‘Zonder hen geen ruimtevaart’, stelt Reijnen. ‘Nederland draagt jaarlijks verplicht af aan Esa. In ruil mogen we de koers meebepalen. Bovendien verdeelt de Europese ruimtevaartorganisatie de bijdrage van haar achttien lidstaten over de primes, de hoofdaannemers van de projecten, van waaruit het geld weer terugstroomt naar de verschillende Nederlandse deelnemers. Volgens dit juste retour-principe krijgen we voor elke afgedragen euro drieënhalve euro direct terug of indirect via Estec, het technische hart van Esa in Noordwijk.’
Via het Netherlands Space Office (NSO) is de overheid ook nauw betrokken bij de projecten zelf. Dit orgaan definieert het nationale ruimtevaartprogramma en voert dat uit. Daarnaast vertegenwoordigt het Nederland naar Esa, Nasa en andere ruimtevaartorganisaties. ‘Vergeleken met andere markten komt de zogeheten gouden driehoek van overheid, kennisinstellingen en industrie in onze sector extreem goed uit de verf’, vindt Reijnen. ‘De ruimtevaart is al sinds jaar en dag heel institutioneel gedreven, in die zin dat overheidswensen vaak de drijvende kracht vormen achter de ontwikkeling van nieuwe ruimte-infrastructuur. De overheid is vanaf het vroege begin van de ruimtevaart een belangrijke partner.’
Dat belang neemt de laatste jaren wel langzaam af, signaleert Reijnen. In 2010 haalde Dutch Space 56,5 procent van zijn omzet uit institutionele ruimtevaart, terwijl het aandeel uit de commerciële ruimtevaart verder steeg naar 34,5 procent. De overige negen procent kwam uit andere markten, waaronder defensie. ‘De ruimtevaart is aan het commercialiseren. De rol van de overheid is nog lang niet uitgespeeld, maar ruimte-infrastructuur wordt steeds vaker ook betaald met privaat geld. Zo financiert Astrium momenteel geheel zelf een satellietmissie om op commerciële basis aardobservatiebeelden te leveren. Met onze zonnepanelen zitten wij hierbij in een open competitie met andere bedrijven. De spelregels in de ruimtevaart veranderen en voor ons is het de uitdaging om mee te bewegen.’
© Bits & Chips | Deze pagina op internet: http://www.bits-chips.eu/nieuws/interviews/bekijk/artikel/samenwerking-in-space.html